Persoonlijke betrokkenheid is belangrijk voor imago goede doelen

8 februari 2008

Ik heb een enorme verzamelwoede. Niet van snuisterijen of postzegels maar van krantenberichten, van nieuwsverhalen. Alles waarvan ik maar enigszins vermoed dat ik er op korte termijn, of misschien ooit, wat aan heb, knip ik uit. En leg ik op een grote stapel, om straks in het goede mapje te doen. Als ik dan ’s avonds mijn bureau leegruim en de geknipte artikelen tegenkom, leg ik ze voor het gemak even op een stapel om ze morgen in het goede mapje te doen. Dit proces herhaalt zich een aantal keer en uiteindelijk belanden deze artikelen op een grote stapel verhalen die op korte termijn, of misschien ooit, van onschatbare waarde blijken te zijn.

Eens in de zoveel tijd krijg ik het op mijn heupen. Dan moet er opgeschoond. Dat was onlangs weer eens het geval. Met frisse moed werp ik me dan op de gevaarlijk wiebelende stapel krakende krantenknipsels. Net als voorgaande keren, belanden veel artikelen in oudpapier bak. Geen idee waarom ik dacht dat uitgerekend dit verhaal tot een uiterst zinvolle actie of verhelderend inzicht zou leiden. Maar soms blijkt dat ik een heel dossier bij elkaar heb geknipt. Een interessant dossier. Zo ook deze keer. Het betrof berichtgeving rondom de effectiviteit van grote hulp-organisaties, van gouvernementele hulp, van kleine clubs, over het imago van grote clubs, over de trend dat kleine particuliere initiatieven als paddestoelen uit de grond schieten en over het onderzoek van Lau Schulpen, onderzoeker van het Centre for International Development Issues (Cidin) van de Radboud Universiteit Nijmegen.
Het had er veel van weg dat ik een soort deskresearch had uitgevoerd ten bate van dat wetenschappelijk onderzoek. Natuurlijk is mijn lukraak knipgedrag niet representatief, en wetenschappelijk ook niet verantwoord om daar vergaande conclusies aan te verbinden. Desalniettemin zou mijn conclusie anders luiden dan die van Lau Schulpen. Om het simpele feit dat ik niet alleen wetenschappelijke feiten zou meewegen maar ook een dosis sociale kennis.

In zijn onderzoek concludeert Schulpen het volgende: ‘De kleine ontwikkelingsorganisaties hebben geen enkel recht te claimen dat hun hulp effectiever is dan die van de grote broers als Oxfam Novib. De kwaliteit van de kleine particuliere ontwikkelingshulp laat op een groot aantal punten te wensen over. De claim dat er minder aan de strijkstok blijft hangen dan bij grote organisaties als Icco, Oxfam Novib en Cordaid kan niet worden waargemaakt. Datzelfde geldt voor het idee dat kleine hulp effectiever is dan de hulp van de traditionele grote ontwikkelingsorganisaties.’

Kortom, de hulp van zowel grote als particuliere, kleine organisaties heeft evenveel, of zo je wil, even weinig effect. Die conclusie zou je ook kunnen trekken.
Natuurlijk kunnen kleine clubs nog wat van de grote leren. Maar de grote kunnen ook zeker wat van die particuliere initiatieven opsteken. Want de vraag is waarom mensen zo’n particulier initiatief zoveel sympathieker vinden dan die grote organisaties. Of meer vertrouwen hebben in die kleine clubs.

Een groot deel van dat antwoord moet gezocht worden in de betrokkenheid en vooral de persoonlijke benadering van die kleine clubs. Steeds vaker lees en hoor je dat mensen willen weten wat er met hun geld gebeurt. Ze willen heel concreet dat ene project steunen dat ze zelf uitgezocht hebben. Bij grote goede doelen clubs wordt dat lastig. Vaak komt je geld daar op de grote anonieme geefhoop terecht. En is het dus onduidelijk waar je geld naar toe gaat. Oké, in het jaarverslag staat welke projecten geholpen zijn. Als zo’n verslag al de gevraagde betrokkenheid zou symboliseren, moeten gevers vaak zelf om zo’n jaarverslag vragen. Dat vraagt wel heel veel van een gever.
Bij die kleine projecten help je heel direct. Zijn er schoolboeken nodig? We sturen geld en er worden schoolboeken gekocht. Is er geld nodig voor mest voor volkstuinen? We maken geld over en er kan mest gekocht worden. Kortom, er is betrokkenheid en er is duidelijkheid waar je geld naar toe gaat. En daarmee is het dus jóuw project. Jij hebt er met jouw bijdrage voor gezorgd dat er boeken gekocht kunnen worden, of mest. Dat een naai-atelier geld heeft om stof te kopen om school-uniformen te maken. Die door een school gekocht worden waardoor de vrouwen van het naai-atelier zichzelf in hun levensonderhoud kunnen voorzien en weer stof kunnen kopen om school-uniformen of andere kledij te maken. Dat is wat mensen, wat gevers zoeken. Op dat punt hebben de kleine clubs echt een streepje voor. De claim dat hun hulp effectiever is dan die van die grote clubs mag dan volgens het onderzoek niet terecht zijn, ze maken hulp wel persoonlijker. En dat is in deze tijd minstens zo belangrijk. Want daarmee bewerkstellig je dat gevers zich betrokken blijven voelen bij mensen die hulp echt nodig hebben. Dat ze blijven geven om armoede uit te bannen en daarmee een rechtvaardiger wereld te krijgen.
built with Yourportfolio technology, www.yourportfolio.nl